De kunst van het stellen van vragen en doorvragen
t

Wat zijn feiten? Vijf criteria / vragen om feiten van meningen (en andere vormen van kennis) te onderscheiden


Je hebt eerder kunnen lezen dat beroepsbeoefenaren er goed aan doen om bij de meningen en oordelen van anderen de vraag te stellen naar wat beweerd wordt teneinde te kunnen vaststellen hoe precies beredeneerd of betoogd wordt.  Eerst moet je dit namelijk helder krijgen, wil je later kunnen doorvragen naar bijvoorbeeld wat precies wordt bedoeld en of dat wat beweerd wordt wel klopt (over deze vragen ga je later meer lezen).

Een van de beweringen waar je als professional mee te maken hebt, zijn feitelijke beweringen. En gezien de professionele kennisverwachting moeten deze natuurlijk ook kloppen. Nu is er geen beroep denkbaar of feiten spelen een rol:

Een voorbeeld. Het is bijvoorbeeld voor journalisten noodzakelijk dat ze feiten kunnen herkennen, willen ze deze vervolgens positief-kritisch kunnen bevragen op waarheid. Stel een politicus wil roken strafbaar stellen omdat hij constateert dat "roken tijdens zwangerschap jaarlijks leidt tot de dood van 60 baby's". Veel mensen zullen van zowel de journalist als van de politicus verwachten dat hij zich afvraagt of het feit - dat dus opgenomen is in het argument - waar is en dat ze deze bewering niet voetstoots aannemen [1].
 
Een belangrijke positief-kritische vraag voor beroepsbeoefenaren om te stellen, is dus: "Wat zijn de feiten in deze kwestie?"


De vraag is natuurlijk dan: wat zijn feiten?
Om feitelijke beweringen van andere uitspraken te onderscheiden en vervolgens te kunnen bevragen, kun je de volgende criteria hanteren:

  1. Het moet gaan om een uitspraak die een geldigheidswaarde heeft (dus een bewering is).
  2. Feitelijke beweringen gaan altijd over iets wat is of over iets wat heeft plaatsgevonden.
  3. De waarheid van de bewering moet los staan van de persoon die bewering uitspreekt.
  4. Over de gehanteerde begrippen in de uitspraak bestaat geen discussie.
  5. Van de uitspraak kun je met behulp van een vastgestelde, overeengekomen procedure of methode vaststellen dat deze klopt.

Deze vijf criteria resulteren in vijf deelvragen die je kunt stellen om vast te stellen of je te maken hebt met een feit.

De vijf deelvragen om een uitspraak als feit te herkennen

1. Betreft het een bewering: een uitspraak die een geldigheidswaarde heeft?
Zoals je hebt gelezen, zijn feiten een bepaald soort beweringen. Dit betekent dat je pas kunt spreken van een feit als je te doen hebt met een uitspraak die een bepaalde geldigheidswaarde kan hebben. Het zijn uitspraken waarvan je kunt zeggen: dat klopt of dat klopt niet (in bepaalde mate).  

Voorbeelden van uitspraken die WEL voldoen aan dit criterium.
"Dit is een zin."
"Dit is geen zin." [2]
"Jan eet nu zijn broodje."
"De auto staat stil."

Voorbeelden van uitspraken die NIET voldoen aan dit criterium en die op basis van dit criterium geen feiten zijn.
"Hiep hiep hoera." (niet te verwarren met het feit: "Jan is vandaag jarig.")
"Boeeeee"
"Hallo!"
"AJjf jfeof keke" (niet te verwarren met: "De zin 'AJjf jfeof keke' is geen Nederlandse zin.")

2. Gaat de uitspraak over iets wat is of over iets wat heeft plaatsgevonden?
Je kunt pas spreken van feiten als de bewering gaat over iets wat is of  over iets wat heeft plaatsgevonden. Met dit criterium kun je feiten onderscheiden van twee andere vormen van kennis, namelijk verklaringen en voorspellingen. Natuurlijk moet je als professional ook bij verklaringen en voorspellingen de vraag stellen of ze kloppen maar omdat ze andere vragen met zich mee brengen, doe je er goed aan deze kennissoorten van elkaar te onderscheiden.

Voorbeelden van uitspraken die WEL voldoen aan dit criterium.
Natuurwetenschappelijk: "De zon is een ster."
Juridisch: "De rechter heeft Benno L. niet vrijgesproken." [3]
Moreel: "In 2017 vond dertien procent van de Nederlanders dat een meisje met sexy kleding aan niet moet zeuren als ze wordt lastiggevallen." [4]
... [5]

Voorbeelden van uitspraken die NIET voldoen aan dit criterium en die op basis van dit criterium geen feiten zijn.
"De zon zal ooit ophouden met schijnen." (voorspelling)
"De rechter heeft Benno L. niet vrijgesproken omdat dat hij had bekend." (verklaring)
"Ooit zal het zo zijn dat alle Nederlanders vinden dat een meisje ongeacht wat ze aan heeft niet wordt lastiggevallen." (voorspelling)
"Nexxion-industry BV zal volgend jaar zwarte cijfers schrijven." (voorspelling)

3. Staat de waarheid van de bewering los van de persoon die de bewering uitspreekt?
Je kunt vervolgens - als derde criterium - pas spreken van een feit als de waarheid van de feitelijke bewering losstaat van de persoon die de feitelijke bewering uitspreekt.

Een voorbeeld. Neem het kookpunt van water vandaag in Amsterdam. Stel dit kookpunt is 99,98 °C, dan is dit kookpunt van water voor mij hetzelfde als voor jou, je docent, je familie, et cetera.

Het subject - de persoon die de bewering uitspreekt - doet er dus niet toe. Dit maakt dat je van feiten kunt zeggen dat ze objectief waar zijn. De persoon (het subject) die de bewering uitspreekt, doet er niet toe. Feiten zijn hiermee niet subjectief.
 
Een voorbeeld. De bewering "De muziek van Yellow Claw is goede muziek." is grotendeels subjectief. Het is afhankelijk van de persoon die deze bewering uitspreekt of deze bewering klopt. Indien iemand deze bewering uitspreekt maar niet van de muziek van Yellow Claw houdt dan klopt de bewering natuurlijk niet. Althans: bij deze persoon. Natuurlijk kun je nog argumenteren wat goede muziek maakt - en hierover mogelijk nog enige overeenstemming over bereiken - maar muzieksmaak blijft in grote mate (of misschien wel enkel) subjectief; ook wel een voorkeur genoemd.

Feitelijke vragen - vragen naar feiten - kennen maar één correct antwoord. Neem als voorbeeld de vraag "Wat is het kookpunt van water vandaag in Amsterdam?". Op deze vraag is maar één goed antwoord mogelijk. Niet mogelijk is dat het antwoord tegelijkertijd 99 graden is en 100 graden is. Bij vragen naar voorkeuren, dus subjectieve beweringen, is dit wel mogelijk

Voorbeeld. Neem de vraag "In hoeverre is de muziek van Yellow Claw goed?" Op deze vraag zijn in theorie wel 7 miljard verschillende antwoorden mogelijk (namelijk afhankelijk aan wie je de vraag stelt). Hetzelfde geldt voor beweringen als "Zijn spruitjes met satésaus lekker om te eten?" of "Is de Mona Lisa een mooie schilderij?"

Op het moment dat je constateert dat de geldigheid van de bewering afhankelijk is van de persoon die de bewering uitspreekt, dan heb je niet meer te maken met een feit. Dit betekent dat er bij feiten in beginsel geen discussie mag zijn over de gehanteerde begrippen in de beweringen. Dit geeft direct het vierde criterium.

4. Bestaat over de gehanteerde begrippen in de uitspraak geen discussie?
Neem de volgende beweringen:
  • "1+1=2"
  • "Jan eet nu een broodje."
  • "'Dit is een zin' is een zin."
  • "De auto staat stil."
 
Het zijn allemaal beweringen waarvan we in de praktijk wel zeggen dat dit beweringen zijn waarvan we in beginsel kunnen nagaan of ze kloppen. Het zijn uitspraken waarover in eerste instantie geen discussie zullen krijgen over de betekenis van de gebruikte begrippen.
 
Dit komt omdat van de begrippen in deze uitspraken de betekenis eigenlijk wel vaststaat en maar voor één uitleg vatbaar is. Ook dit is nodig wil je een uitspraak een feit kunnen noemen. Een bewering is pas een feit als door iedereen dezelfde betekenis wordt gegeven aan de gebruikte begrippen.

Het probleem is echter dat je in beginsel bij ieder begrip de vraag kunt stellen wat het begrip betekent. En dat je hiermee met iemand anders van mening kunt verschillen over het begrip. Sterker, volgens sommige auteurs zit er eigenlijk tussen feiten en oordelen maar een klein verschil. Door een bepaald begrip te gebruiken, vel je eigenlijk een oordeel. Het gevolg is dat er misschien helemaal geen definitief vast te stellen feiten zijn?

Een voorbeeld. De uitspraak "De zon is een ster." zullen veel mensen in de praktijk wel als feit kwalificeren (dat vervolgens waar is). Je zou echter kunnen redeneren dat of de zon een ster is, afhankelijk is van wat je onder het begrip "ster" verstaat. En dat wat je onder dit begrip verstaat hiermee een oordeel is, namelijk een oordeel over wat een ster maakt en aan welke criteria een ruimtelichaam dan moet voldoen. Sterker, je zou de bewering "De zon is een ster" kunnen zien als de bewering "De zon is een voorbeeld van een ster.". De uitspraak geeft hiermee geen feit maar geeft enkel een voorbeeld van wat onder het begrip 'ster' valt bij een bepaalde definitie.

Als je beweringen op deze manier beziet, houd je weinig feiten over. Voor de beroepspraktijk is deze aanpak weinig vruchtbaar en kun je daarom beter kijken naar de context waarin een bewering wordt geuit. Afhankelijk daarvan kun je concluderen in hoeverre de gebruikte begrippen worden omarmt.

Voorbeeld. De juridische beroepspraktijk vraagt vaak om nauwkeurigheid wat betreft de inhoud van begrippen. Toch is het misschien per definitie niet mogelijk om tot definitieve begrippen te komen. De rechtsfilosoof Hart geeft als treffend voorbeeld de regel: "Voertuigen zijn verboden in dit park." Wat valt er nu precies onder 'voertuigen'? Zijn auto's voertuigen en dus verboden? Ja. Zijn brommers verboden? Ja. Zijn fietsen verboden? Lastig. Zijn kinderfietsjes verboden? Vast niet. En een segway? Tja. (et cetera) [6]. In de kern laat dit voorbeeld goed zien dat begrippen altijd open staan voor discussie en onderzoek. Als je echter van de monteur van je auto hoort dat "Je voertuig achter de garage staat." zul je direct begrijpen wat hij bedoelt. Je mag dit een feit noemen.

5. Kun je tot slot met behulp van een vastgestelde, overeengekomen procedure of methode vaststellen dat de uitspraak klopt?
Naast dat er geen discussie mag zijn over de gebruikte begrippen, kun je tot slot pas spreken over een feit als het duidelijk is op welke wijze je kunt nagaan of de uitspraak wel of niet klopt. Er moet overeenstemming zijn wat een feit waar of niet waar maakt. Soms zal deze overeenstemming tussen mensen niet uitgesproken zijn (impliciet zijn) maar in sommige vakgebieden - denk aan de wetenschap en aan het recht - zal dit meer expliciet zijn.

Vaak zal waarneming de methode zijn die we hanteren om vast te stellen of iets waar of niet waar is. Dit is natuurlijk niet ergens vastgelegd maar dit wordt impliciet door iedereen wel omarmd.

Voorbeeld. Als jij een auto ziet rijden dan kun je uitspreken "De auto rijdt" en hiermee zeggen dat het klopt dat de auto rijdt. Het is een feit. 

Gezien de beperkingen van onze waarneming moet je echter wel grote vraagtekens zetten bij de waarneming als goede methode. Het probleem is namelijk: hoe weet je nu zeker of je goed waarneemt?
Een voorbeeld. Dat de aarde niet plat is, werd niet altijd als feit gezien. Vroeger dacht iedereen dat de aarde plat was. Je zag dat immers toch zelf? Later was kennis over de niet-platte aarde enkel voorbehouden aan wetenschappers die dit aflazen uit de stand van de sterren of aan zeereizigers die hadden ervaren dat een schip niet echt verdween achter een horizon. Hun ideeën werden – om het zacht uit te drukken – maar met moeite omarmt. Nu kunnen we het echter bewijzen en staat deze bewering minder - of beter gezegd - niet meer ter discussie [7].

Ook bij uitspraken uit het verleden, schiet onze waarneming natuurlijk te kort (zelfs als er beelden zijn).

Een voorbeeld. Pas met doellijntechnologie kunnen we bij voetbal definitief vaststellen of het klopt dat een bal achter de doellijn is geweest. In het verleden (en op lager niveau nu nog steeds) moesten scheidsrechters dit zelf beslissen hetgeen leidde tot allerlei discussies. Introductie van een extra scheidsrechter op de achterlijn maakte de foutenmarge kleiner en maakte de methode van vaststellen beter maar nog steeds niet zonder discussie. Ook videobeelden konden en kunnen niet altijd voor zekerheid zorgen. Afhankelijk van de positie van de camera kun je namelijk wel of niet definitief vaststellen of de bal over de lijn is. Hetzelfde zie je bij buitenspel-situaties: als de camera niet op dezelfde lijn staat als de spelers is buitenspel lastig waar te nemen. Bij het vaststellen wie het eerst over de lijn is met wielrennen of hardloopwedstrijden zie je hetzelfde probleem: als je schuin tegenover de finish staat, kun je niet altijd goed inschatten wie het eerste was.


Zat de goal of niet?

Welke methodes er onder andere zijn, zal later worden behandeld; namelijk bij onze uitwerking van de vraag "Klopt het feit?". Voor nu is het voldoende om in te zien dat een bewering als feit wordt gezien als binnen een systeem of context er een manier is om vast te stellen of de uitspraak klopt.

Andersom: is geen sprake van een andere vorm van kennis?
Met behulp van deze criteria kun je dus vaststellen of je een uitspraak een feit mag noemen. Deels kun je het ook van de andere kant benaderen: als je kijkt naar de verschillende soorten beweringen, zijn de volgende uitspraken in ieder geval geen feiten:

  • Verklaringen: "De patiënt is beter geworden door het slikken van dit medicijn."
  • Vergelijkingen: "Mohamed is beter in Engels dan Kubra."
  • Voorspellingen: "Nederland zal over 10 jaar de Eurozone verlaten."
  • Intersubjectieve oordelen (intersubjectieve meningen): "We moeten weer de doodstraf invoeren."
  • Subjectieve oordelen (voorkeuren): "Broccoli is lekker."
  • Adviezen: "Als ik jou was zou ik nu naar huis gaan."

Let op - en zie hierboven - maar natuurlijk moet je ook bij deze zes beweringen de vraag stellen of het klopt. Maar omdat je - om deze vraag te beantwoorden - andere vragen moet stellen dan bij feiten, kun je ze beter geen feiten noemen of zeggen dat je een factcheck doet. Al zie je in de praktijk dat met name ook verklaringen en voorspellingen als feiten worden betiteld [8]. Dit zal mogelijk worden gedaan omdat voorspellingen en verklaringen net als feiten een objectief karakter hebben (en je hier kunt spreken over waarheid). Maar daarmee maken we al een stap naar de vraag "Klopt het feit?" (waar je hier meer over kunt lezen).

PS. Bestaan er dan ook niet ware feiten?
Als je de vijf criteria inzet, zul je soms tot de conclusie gaan komen dat een bepaalde uitspraak een feit genoemd kan worden ook al is deze niet waar.

Voorbeeld. De uitspraak: "Koning Willem-Alexander is een vrouw." voldoet aan de bovengenoemde vijf criteria. Toch zullen veel mensen dit niet een feit beschouwen.

Om die reden zou je nog een zesde criterium kunnen stellen, namelijk dat je pas kunt spreken van een feit als de bewering ook klopt, dus waar is.

Neem de antieke opvatting: “De aarde is plat”. Is dit nu een feit of niet? Dit is - eigenlijk net als met de andere criteria - een kwestie van definitie (waarvan je natuurlijk de vraag kunt stellen: klopt het dat dit de inhoud van dit begrip is?).

In de literatuur zie je twee mogelijkheden terug: het is een feit dat vervolgens niet waar is óf het is geen feit (omdat de uitspraak niet waar is). In het dagelijks taalgebruik zie je de tweede optie vaker terugkomen: dat de aarde plat is, is geen feit. Aanhangers van de eerste invulling zullen zeggen dat het wel degelijk een feitelijke bewering is maar dat deze enkel bewijsbaar niet waarschijnlijk is. Deze invulling - zo zal later blijken - heeft de voorkeur. Dus een bewering hoeft niet waar te zijn om feit genoemd te kunnen worden [9]. Het moet enkel - zie criterium 1 - een uitspraak zijn waarvan je kunt afvragen: klopt het?
 
__________

[1]
Zie hiertoe Volkskrant / Ronald Veldhuizen, Roken tijdens zwangerschap doodt jaarlijks 60 baby's: klopt dit wel? (22 februari 2017), zie http://www.volkskrant.nl/wetenschap/roken-tijdens-zwangerschap-doodt-jaarlijks-60-baby-s-klopt-dit-wel~a4465513/

[2]
Ondanks dat dit een uitspraak is waarvan je kunt stellen "dat klopt niet" doe je er goed aan om deze bewering wel als feit te typeren (namelijk als een feit dat niet waar is). Op metaniveau speelt hier natuurlijk de kwestie dat iets een feit noemen eigenlijk een oordeel is (waarover je kunt discussiëren; zie verder in deze bijdrage). 
[3]
Benno L. was een zwemschoolhouder die in 2011 door het OM werd vervolgd voor twee aanrandingen, 33 gevallen van ontucht, het vervaardigen en het bezit van kinderporno en het heimelijk fotograferen van kinderen. Het OM en de politie kozen ervoor om actief de publiciteit te zoeken teneinde ouders in te lichten over het gedrag van Benno. De advocaat vroeg aan de rechter later hier bij de strafmaat rekening mee te houden. Zie voor een overzicht https://www.rechtspraak.nl/Uitspraken-en-nieuws/Bekende-rechtszaken/Zwemschoolhouder/Paginas/default.aspx

[4]
Dit is een cijfer uit 2017. Bron: onderzoek van onderzoeksbureau IPSOS in opdracht van Rutgers, kenniscentrum seksualiteit. Zie: http://www.rutgers.nl/nieuws-opinie/nieuwsarchief/stembusakkoord-seksueel-ongewenst-gedrag

[5]
Dit zijn enkel voorbeelden van onderwerpen waarvoor iets beweerd wordt. Naast de natuurwetenschappelijke, juridische en morele feiten die worden genoemd, zijn bijvoorbeeld nog meer soorten feiten mogelijk. Bijvoorbeeld een financieel feit als “Dit bedrijf heeft € 200 miljoen op bankrekening ING1011...etc. staan.

[6]
Zie Hart, H.L.A, The Concept of Law, Oxford (Clarendon Press), 1961.

[7]
De meeste mensen zullen de aarde nu rond noemen. Maar ook dat doet echter geen recht aan de waarheid. Het beste is de aarde als bolvorming te typeren gezien de afplatting aan de polen. Zie bijvoorbeeld deze bijdrage op kritischdenken.info.

[8]
De Volkskrant had bijvoorbeeld een serie artikelen met de naam "Klopt dat wel?" Dit is een goede naam gezien de soorten beweringen die onderzocht werden. NRC spreekt bij haar artikelen van 'NRC checkt'. Ook dit is een goede naamgeving voor als je meer dan enkel de geldigheid van feiten bevraagt. Niet goed gaat het bij De Standaard die de bewering "Reddingsoperaties leiden tot meer doden op zee" een feit noemt terwijl het een voorspelling is (zie: http://www.standaard.be/cnt/dmf20170322_02793512).
  
[9]
Later zul je lezen dat je volgens veel wetenschappers je eigenlijk beter nooit over de definitieve waarheid van feitelijke beweringen kunt spreken maar dat je altijd de mogelijkheid moet open laten voor tegengesteld bewijs. Om die reden spreken zij liever over de mate van waarschijnlijkheid van feitelijke beweringen. Als je dit doortrekt, is het stellen van waarheid als extra criterium ook niet wenselijk.
Meer over: ,