De kunst van het stellen van vragen en doorvragen
t

Waarheidsvinding: de 11 vragen die je moet stellen om feitelijke onzin op te sporen

Van iedere beroepsbeoefenaar verwachten we dat ze op basis van ware feiten hun werk doen (of dit nu bijvoorbeeld een jurist, een journalist, een politicus, een docent of een medicus is). Maar hoe achterhaal je nu of ze geen onzin praten? Of dat jij - als beroepsbeoefenaar - geen onzin uitkraamt? In deze bijdrage geven we je 11 vragen waarmee je feit van fictie kunt onderscheiden. Maar wel een waarschuwing vooraf: juist bij dit onderwerp zul je merken hoe lastig het is om de kunst van het stellen van de juiste vragen te beheersen. Het kunnen begrijpen en het je eigen maken van dit vraagschema vraagt om tijd en geduld.
laatste update: 27-10-2017

Inleiding op dit vraagschema

Voor de zekerheid
Is wel sprake van een feit? Heb je bijvoorbeeld niet te maken met een mening waarvoor je een ander vraagschema kunt gebruiken?

Het opsporen van bullshit: 11 vragen om de waarheid van een feit vast te stellen
In hoeverre kun je zelf waarnemen van wat feitelijk wordt beweerd?

In hoeverre is er indirect bewijs voor wat feitelijk wordt beweerd?


Inleiding

Waarschijnlijk snap je wel dat je in de beroepspraktijk er goed aan doet om soms de vraag te stellen of dat wat beweerd wordt wel klopt (je kunt aanvaarden). Formeel: of dat wat beweerd wordt wel geldig is (en als je twijfelt hierover, zie dan hier). Helemaal de vraag naar of wat FEITELIJK wordt beweerd wel klopt - feiten als een van de kennissoorten - zal je geregeld bewust of onbewust gaan stellen. Je vraagt je dan af of datgene wat feitelijk wordt beweerd wel waar is.

In ieder beroep wordt immers wel geoordeeld (worden meningen geuit) en om te komen tot goede oordelen is een goede feitelijke onderbouwing onontbeerlijk (dit komt voort uit de kennisverwachting die we van professionals hebben). Allerlei cognitieve valkuilen - tekortkomingen in ons denken - kunnen echter er voor zorgen dat je niet goed met feiten omgaat (bijvoorbeeld onze neiging om te snel een oordeel te vellen).

In een tijd van nepnieuws en alternatieve feiten is het bevragen van feiten op waarheid volgens sommige auteurs belangrijker dan ooit te tevoren. Met name op en via social media wordt veel beweerd waarvan het maar de vraag is of het klopt. (waarbij ondertussen onze neiging tot tunnelvisie ons bewustzijn van onware feiten ook nog eens flink in de weg kan staan).

In deze bijdrage kun je lezen hoe je de juiste vragen kunt stellen bij feitelijke beweringen. Een belangrijke vaststelling hierbij zal zijn dat je in de beroepspraktijk beter kunt spreken over de mate van waarschijnlijkheid dat een scenario een feit bewijsbaar maakt dan over de (harde) waarheid van feiten.

Is wel sprake van een feit (en niet bijvoorbeeld van een mening?

Voordat je onderstaande vragen kunt stellen, moet het je natuurlijk wel  duidelijk zijn dat je te maken hebt met een feit. We hebben eerder hier uitgelegd hoe je op basis van vijf criteria en dus vragen kunt vaststellen of een bepaalde uitspraak een feit is. Probeer met name er zeker van te zijn dat geen sprake is van een mening / oordeel. Feiten vragen namelijk om een andere onderbouwing dan meningen.

Een voorbeeld. Stel je wilt weten of een collega van je (Jan) zich niet verslapen heeft en vraagt daarom aan een andere collega hoe laat Jan binnen was. Deze persoon zegt vervolgens: "Jan was om 9.30 binnen." Over de waarheid van deze feitelijke uitspraak zal in  de praktijk - indien we een manier hebben om na te gaan of Jan echt om 9.30 binnen was - geen discussie bestaan. De waarheid van de bewering dat Jan om 9.30 binnen was, staat ook los van de persoon die deze bewering uitspreekt. Of Henk het nu zegt, of Piet, of wie dan ook: de waarheid dat Jan om 9.30 binnen was, staat hier los van. Dit in tegenstelling tot een de bewering als "Jan had eerder dan 9.30 moeten komen" (deze bewering draagt een mening uit; is een oordeel). Hierover zal wel discussie kunnen bestaan (afhankelijk van in hoeverre anderen inderdaad vinden dat Jan dit had moeten doen). Hier is sprake van een mening.

Hieronder volgen de vragen die je kunt stellen om vast te stellen of een feitelijke bewering geldig is (of deze klopt) en de uitspraak dus waar is. Met dit vraagschema begeven we ons op het gebied van de waarheidsvinding. Je doet er goed aan om hierbij onderscheid te maken tussen twee manieren waarop je kunt vaststellen of een feitelijke uitspraak wel klopt: waarheidsvinding op basis van je eigen directe waarneming en waarheidsvinding op indirecte wijze.



METHODE 1: MET BEHULP VAN JE EIGEN WAARNEMING VASTSTELLEN OF DE FEITELIJKE UITSPRAAK KLOPT
 

1. In hoeverre bevestigt of ontkracht je eigen waarneming de feitelijke bewering?

De meest voor de hand liggende manier om je van de waarheid van een feitelijke bewering te verzekeren, is door gebruik te maken van je eigen waarneming: zie je (of eventueel hoor, proef, ruik, of voel je) wat feitelijk wordt beweerd. Een feitelijke uitspraak is in zo'n geval waar als de bewering en de waarneming met elkaar in overeenstemming zijn. De algemene vraag die je stelt in zo´n geval is: "In hoeverre bevestigt of ontkracht mijn eigen waarneming dat dit feit waar is?"


Leren vragen stellen en doorvragen


Voorbeeld. In plaats van dat je het aan de ander vraagt, zie je Jan binnenkomen. Je kijkt vervolgens op de klok en ziet dat het 9.30 is. Je weet hiermee dat het waar is dat Jan om 9.30 binnenkomt. Met andere woorden: je eigen waarneming bevestigt dat het waar is dat Jan om 9.30 binnenkwam.

Deze vorm van waarheidsvinding is het minst problematisch. Maar het werkt enkel als jezelf waarneemt. Dat anderen iets hebben waargenomen, doet er minder toe (want dit is enkel indirect en vraagt om meer, zie verder). Toch kan het geen kwaad om in incidentele gevallen ook bij je eigen waarheidsvinding vragen te stellen. Dit leidt tot een aanvullende vraag:
  

2. In hoeverre kan je uitgaan van je eigen waarneming?

Want je hebt eerder gelezen dat onze waarneming ons goed voor de gek kan houden. Dit maakt dat je ook bij directe waarneming je de vraag moet stellen hoe zeker deze kennis is. Soms willen we ook iets graag zien (en geloven).

Voorbeeld. Stel je had waargenomen dat Jan precies om 9.30 binnenkwam. Was het wel daadwerkelijk 9.30? Zag je dit op een klok? En liep de klok wel op tijd? Of heb je beredeneerd dat het 9.30 was? En was het inderdaad wel Jan? Of was het iemand die leek op Jan?
 
Je eigen waarneming inzetten om vast te stellen of een feit waar is, geeft het minste problemen. Helaas kun je in de beroepspraktijk zelden (enkel) leunen op je eigen waarneming. Het voorbeeld van Jan is niet voor niets zo'n simpel voorbeeld. In de praktijk heb je vaker te maken met feiten waar je zelf niet bij bent (geweest) of extra kennis nodig hebt en waarvoor je wat betreft de waarheid niet je eigen waarneming kunt aanspreken.

Voorbeeld. Denk aan een rechter of officier van justitie die moet vaststellen hoe een moordverdachte een slachtoffer heeft benaderd [1]. Of neem de huisarts die eraan twijfelt of een patiënt wel de voorgeschreven medicijnen slikt [2]. Of denk aan de journalist die moet vaststellen van welke partij een raket - afgeschoten in een oorlogsgebied - afkomstig was [3]. Of de IND-ambtenaar die moet vaststellen of de vluchteling die voor hem zit dezelfde is die op een video met wapens zit te zwaaien [4]. Of de wetenschapper die het bestaan van een niet-waarneembare planeet beschrijft [5].

METHODE 2: OP INDIRECTE WIJZE VASTSTELLEN OF DE FEITELIJKE UITSPRAAK KLOPT 

In de beroepspraktijk zal je eerder terugvallen op een tweede methode om vast te stellen of iets waar is. In plaats van de eigen waarneming gebruik je informatie van anderen en door anderen vastgelegd. Dit resulteert in de algemene vraag: in hoeverre is er indirect bewijs voor wat feitelijk wordt beweerd. Met andere woorden: welke ondersteuning vind je - anders dan je eigen waarneming - voor het feit.

PROBLEEM 1

Hier loop je direct tegen een probleem aan. Dit bewijs - deze indirecte kennis - wil je natuurlijk ook op waarde (waarheid) schatten. Omdat dit bewijs echter steunt op anderen, weet je nooit helemaal zeker of deze bronnen het bijvoorbeeld juist hebben ("Heeft de getuige het wel goed gezien?") en of er geen bronnen zijn die iets anders beweren ("Is er een getuige die iets anders heeft gezien?").

Daarom kun je volgens sommige auteurs beter niet spreken over DE definitieve waarheid van feiten. Het vaststellen van de waarheid van een feit wordt eerder het zoeken naar de waarschijnlijkheid van een scenario dat het feit aanvaardbaar (lees: bewijsbaar) maakt.
 
De wetenschapsfilosoof Ton Derksen - bekend van het aantonen van gerechtelijke dwalingen als die van Lucia de B. - laat bijvoorbeeld zien dat binnen de juridische beroepspraktijk je altijd een bepaalde voorlopigheid moet houden ten aanzien van of iets feitelijk waar is. Helemaal als aan bepaalde feiten strafrechtelijke consequenties aan verbonden zijn. Derksen: "Natuurlijk zijn er moordenaars als Mohammed B. die als het ware een handtekening onder de moord zetten. Alleen een neuroot twijfelt dan nog aan de schuldvraag. Bij overige situaties gaat het om waarschijnlijkheidsoordelen. En dan wordt het een kwestie van wegen." [6]


Leren vragen en doorvragen


Of iets het geval is of het geval is geweest, moet je dus vaststellen door de bronnen die dit kunnen onderbouwen op waarde te schatten. Wat je doet, is zoeken naar een samenhangend verhaal - een scenario - waaruit je concludeert dat iets waarschijnlijk het geval (niet) is.

Voorbeeld. Stel een leidinggevende krijgt een ziekmelding binnen van een van zijn medewerkers. Is sprake van een valse ziekmelding? Om dit vast te stellen, is de vraag onder andere of de medewerker echt ziek is [7]. Direct op de eerste dag de medewerker bezoeken, zal echter niet altijd mogelijk zijn. Dus de eigen waarneming inzetten is niet mogelijk (nog even los van de situatie dat hij misschien arts moet zijn en over allerlei medische apparatuur moet bezitten om de ziekte echt te kunnen waarnemen). Hoe weet de leidinggevende nu zeker of de medewerker ziek is? Altijd een medewerker op het woord geloven, is misschien wel erg naïef. Wat de leidinggevende waarschijnlijk zal doen, is meerdere kennisvormen samenbrengen. Zonder volledig te zijn wordt in zo'n geval de geschiedenis van de medewerker meegewogen (eerder ziek geweest), wordt gekeken naar het moment van ziekte (als net een belangrijke voetbalwedstrijd wordt uitgezonden, is het wel erg toevallig; is er iets in de familie, ...), wordt meegewogen wat de medewerker aan het doen was (ontloopt hij geen lastige klus), naar hoe de medewerker er gisteren bij zat (zat de ziekte er al aan te komen) en naar wat de medewerker heeft aangegeven (heeft hij een huisarts of ziekenhuis bezocht of gaat hij deze bezoeken, voorspelt hij daarnaast een lange afwezigheid of is het iets kleins).

Dit samen maakt het meer of minder waarschijnlijk voor de leidinggevende dat de medewerker ziek is. Of het echt waar is, is niet zeker. Er blijft een bepaalde mate van onzekerheid.

Waarheid-vinden wordt door de afwezigheid van eigen waarneming in de praktijk vaak waarheid-zoeken: de aanvaardbaarheid van een feit wordt ingeschat door het zoeken naar het scenario dat het meest waarschijnlijk is ten opzichte van andere scenario's.

PROBLEEM 2

Als je gaat zoeken naar de waarheid, loop je vervolgens tegen nog een probleem aan. Bij het vinden van indirect bewijs is het namelijk niet ondenkbaar je voor de gek gaat worden gehouden door je eigen cognitieve instincten. De belangrijkste cognitieve valkuil: we hebben al een mening, een verhaal bij wat het geval is en we gaan dan op zoek naar bewijs dat dit ondersteunt. Met andere woorden: tunnelvisie (ook wel geloofvolharding of confirmatievooroordeel genoemd [8]). 

Voorbeeld 1. Neem het voorbeeld van de leidinggevende die een ziektemelding krijgt van een medewerker. In plaats van dat de leidinggevende zonder vooroordeel op zoek gaat naar ondersteuning voor de waarheid van deze melding zal het eerder andersom gaan. De leidinggevende heeft al een standpunt en gaat vervolgens op zoek naar kennis (waaronder feiten) die dit standpunt bevestigen. Bij een positief vooroordeel ("Hij is echt ziek.") wordt naar feiten gezocht en gevonden die bij dit oordeel passen (bijvoorbeeld: "Hij heeft zich direct ziek gemeld (en dat is positief).") Bij een negatief vooroordeel wordt naar feiten gezocht dat het negatieve oordeel ondersteunt (bijvoorbeeld: "Hij heeft gisteren niets laten merken (en dat is apart).")
Voorbeeld 2. Bij strafzaken moet een rechter vaak de waarde van bewijs inschatten. Stel er komt een veelpleger voor: een zwerver die wordt verdacht van het stellen van enkele bierblikjes. Het probleem: hij ontkent. Daarnaast zijn er wel beelden van de diefstal maar niet helemaal duidelijk is of het de zwerver is. Het zou kunnen maar ... Ondanks dat er misschien gerede twijfel is, is het niet ondenkbaar dat de rechter meeweegt dat hier sprake is van een veelpleger en dat daarom de man op de video wel de zwerver betreft. De vraag is of dit wel terecht is [9]. 
Het is daarom bijvoorbeeld belangrijk dat een goede waarheidszoeker ook direct nadenkt over de andere kant: waarom iets niet waarschijnlijk zou zijn (en hoe dit bewezen kan worden). Dit resulteert in verschillende deelvragen:

3. Welke scenario's kunnen mogelijk zijn?

Voordat je op zoek gaat naar bewijs / onderbouwing doe je er verstandig eerst na te denken welke scenario's allemaal mogelijk zijn. Scenario's van wat allemaal het geval kan zijn. In het geval van de wel/niet zieke medewerker lijken dit twee scenario's te zijn: hij is ziek (en hier is bewijs voor) of hij is niet ziek (en hier is bewijs voor). Maar je zou ook nog een stap verder kunnen gaan in het vooraf bedenken van samenhangende verhalen namelijk door ook alvast na te denken over wat er precies kan spelen. De scenario's worden concreter: "Hij is niet ziek want [x] is waarschijnlijk het geval en dat zou moeten blijken uit [bron y]".

4. Welke bronnen kunnen relevant zijn?

Het is dus ook goed om - gezien de scenario's uit de vorige deelvraag maar ook daarbuiten (!) - na te denken over wat in theorie als goed bewijs en dus als goede bronnen zou dienen. In eerste instantie kan dit wat geforceerd overkomen. Op de lange termijn - als je snel en automatisch in alternatieve bronnen denkt - zal dit je kritisch denkvermogen echter enorm versterken. Je vraagt je dus af welke bronnen in theorie (samen) het feit zouden kunnen bewijzen. Welke bronnen zouden gewenst zijn om de feitelijke bewering te kunnen aanvaarden? Zijn dit bijvoorbeeld videobeelden, getuigenverklaringen, experts / autoriteiten, boeken en literatuur, onderzoeken, ...?

5. Wat zeggen deze bronnen je?

Met de bronnen uit de vorige vraag in gedachten, ga je vervolgens op zoek naar bronnen die aantonen dat het feit klopt. Stop niet bij één bron: in hoeverre vind je voor het feit ondersteuning in meerdere bronnen? Als deze deelvraag het interviewen van personen met zich meebrengt (experts, getuigen, e.d.) dan heeft het natuurlijk de voorkeur om dit met open vragen uit te vragen (denk aan de 5W-vragen). Pas op dat je geen suggestieve vragen stelt!

6. Wat is de betrouwbaarheid van deze bronnen?

Niet iedere bron moet je omarmen. De juiste vragen zijn vragen die zoeken naar betrouwbare antwoorden [10]. Stel daarom bij voorkeur per bron de volgende subvragen:

  • Wie zit er achter de bron?
  • Hoe geloofwaardig is deze persoon of instantie?
  • Wat is het belang van deze personen / instanties?
  • Hoe weten ze het? Hoe is met andere woorden onderzocht? Welke methoden en instrumenten zijn gehanteerd?
  • Hoe zeker weet je dat niet met het bewijs - bewust of onbewust - geknoeid is?
  • Als je meerdere bronnen hebt: zijn deze afkomstig van verschillende, onafhankelijke partijen / experts? Is er met andere woorden geen sprake van onderlinge beïnvloeding?

7. In hoeverre valt een ander scenario ook te verdedigen met hetzelfde bewijs?

Het is belangrijk om nu niet te stoppen met vragen stellen! Blijf goede vragen stellen! Een passend scenario vinden - bijvoorbeeld dat iets feitelijk wel bewezen is - is namelijk niet voldoende. De kunst van het stellen van vragen brengt namelijk met zich mee dat je niet enkel moet kijken naar bewijs dat het feit ondersteunt (ook wel passend bewijs genoemd). Dit leidt snel tot tunnelvisie: als je een passend scenario wilt hebben, zul je het vast wel vinden. Het is de kunst om ook alternatieve scenario´s te onderzoeken. De vraag die je moet stellen, is: Valt met hetzelfde bewijs een ander scenario te verdedigen?

8. In hoeverre sluit het bewijs een ander scenario uit?

Verwant aan de vorige vraag doe je er goed aan om vast te stellen in hoeverre het bewijs discriminerend bewijs is. Ton Derksen: "De centrale waarheidsvindingvraag is niet: "Past het bewijsmateriaal bij het eigen scenario? Maar moet zijn: Past het bewijsmateriaal BETER bij het eigen scenario dan bij andere scenario's?" [11]. Discriminerend bewijs maakt het waarschijnlijker dat het ene is gebeurd en juist niet het andere. Het is bewijs dat niet enkel zich op één scenario richt maar ook andere scenario's in meer of mindere mate uitsluit [12]. Indien het bewijs voor een feit enkel het feit waarschijnlijk maakt en het bewijs andere scenario's niet uitsluit, dan heb je nog geen goed bewijs.

9. In hoeverre zijn alternatieve scenario's bewijsbaar: scenario's die de feitelijke bewering niet aanvaardbaar maken en dus ontkrachten?

Als je echt zo dicht mogelijk bij de waarschijnlijkheid van een feitelijke bewering wilt komen, moet je nog een stap verder gaan. Onderzoek ook andere scenario's en dan met name de scenario's die de feitelijke bewering niet aanvaardbaar maken. Een aantal voorbeelden: In strafzaken zouden politie, rechercheurs en andere betrokken strafrechtjuristen (rechters, advocaten e.d.) zich bijvoorbeeld de vraag moeten stellen of er geen ontlastend bewijs is. Zijn bijvoorbeeld alle getuigen in beeld? In hoeverre is een belastende verklaring van een getuige geen valse verklaring? Zijn er geen beelden? Of neem medici: zijn er geen onderzoeken die het tegenovergestelde zouden kunnen aantonen? Die bijvoorbeeld werken met afwijkende instrumenten en methoden? Zijn er geen experts die iets anders beweren? Wat is hun onderbouwing? Wat is de betrouwbaarheid van het bewijs?

10. Welk scenario is het meest waarschijnlijk?

Als er geen direct bewijs is - je waarneming je niet kan helpen - ga je altijd een waarschijnlijkheidsinschatting maken. Welk scenario is het meest waarschijnlijk? Het scenario dat de feitelijke bewering waarschijnlijk kloppend maakt of juist niet? Je krijgt een afweging als: "De verklaring van X, samen met verslag Y maakt dat Z waarschijnlijk het geval is en ik het kan aanvaarden.". Weeg hierbij ook de betrouwbaarheid van de bronnen mee. Zijn er in dit meest waarschijnlijke scenario meerdere bronnen die los van elkaar het feit aanvaardbaar maken? Met andere woorden: ondersteunen ze elkaar? Of maken ze enkel in samenhang het feit kloppend? Is dit een reden om het scenario niet te omarmen en verder te zoeken?

11. In hoeverre is het bewijs definitief?

Mogelijk heb je een scenario gevonden dan dient als passend bewijs voor wat feitelijk is beweerd: dat het feit geldig maakt. Stel je in zo'n geval wel de vraag in hoeverre het bewijs definitief is. Kunnen nieuwe onderzoeken - bijvoorbeeld op basis van andere of modernere technieken - een andere uitkomst opleveren? Zou een niet gevonden getuige ineens het scenario minder aannemelijk kunnen maken? Zou een deskundige het niet met je inschatting eens kunnen zijn? Meer in het algemeen: welke bewijs zou het gekozen scenario kunnen doen ontkrachten? Op welke wijze zou bewezen kunnen worden dat dit scenario niet opgaat? [13] Moet je hier niet op zoek naar? Begin weer bovenaan.

SAMENVATTEND
Indien je niet op je waarneming kunt afgaan, moet je op zoek naar indirect bewijs om vast te stellen dat wat feitelijk wordt beweerd wel klopt. Bovenstaande vragen kunnen je hierbij helpen - bijvoorbeeld tijdens een verhoor of interview - doordat ze de kans verkleinen dat je te te snel niet-kloppende feiten omarmt. In de kern doen deze vragen dit doordat ze je niet laten wegkomen met enkel passend bewijs omdat ze je:

  • laten nadenken over mogelijke scenario's;
  • laten nadenken over mogelijke bronnen;
  • onderzoek laten doen naar deze verschillende / meerdere scenario's en bronnen;
  • laten kijken naar alternatieve scenario's en bronnen;
  • de verschillende scenario's expliciet met elkaar laten vergelijken;
  • laten nadenken over het definitieve karakter van de onderbouwing.

Tot slot: waarom de vraag "Is het feit waar?" dus misschien geen goede vraag is.

De vooronderstelling achter de kritische vraag "Zijn de feiten die gegeven worden wel waar?" is dat feiten definitief waar of niet waar kunnen zijn. Je hebt echter hierboven gelezen dat deze aanname vaak niet klopt en dat vraag hiermee eigenlijk geen goede vraag is (als goede vragensteller had jij hopelijk ook al vragen gesteld bij deze vraag en misschien al bedacht dat deze vraag wel eens een suggestieve vraag zou kunnen zijn 😉).

Je doet er beter aan om te denken in termen van waarschijnlijk. Door enkel te kijken naar waarheid, zet de vraag je denken ten onrechte op het verkeerde been [14].

Toch lees je geregeld over de waarheid van feiten. Zeker in de media in het algemeen en in fact-check-rubrieken van kranten / nieuwssites in het bijzonder. Maar gezien de vaak aanwezige onzekerheid van de waarheid van feiten, is dit - zo heb je hopelijk nu wel door - discutabel. Dit is niet alleen theoretisch maar ook praktisch van belang. Door te zoeken naar een (definitieve) waarheid vergeet je eerder het belang van onderzoek naar alternatieve scenario's (niet te verwarren met alternatieve feiten! dit is begripsmatig niet mogelijk). Of het voorkomt misschien dat je nadenkt over wat een bewering bewijsbaar niet aanvaardbaar kan maken. Hiermee vergroot je de kans op tunnelvisie en rationaliseren. Wees je hiervan bewust.

Heb je tot slot aanvullingen, bijkomende vragen, et cetera? Wij lezen het graag!

_______

[1] 
Zie voor de moeilijkheden die het werk van de rechter, officier van justitie en opsporingsteam qua waarheidsvinding met zich mee kan brengen de documentaire van Misja Pekel: Officier van justitie, dossier van een moordzaak, 2DOC (2014), zie https://www.2doc.nl/documentaires/series/2doc/2014/mei/officier-van-justitie.html

[2] 
Terwijl wel meer dan de helft van de patiënten (van bepaalde ziekten) die chronische medicijnen voorgeschreven heeft gekregen binnen een jaar stopt met het nemen van die medicijnen. Zie voor een startpunt voor verdere lezing: NOS / Rinke van den Brink, Veel chronisch zieken nemen hun medicijnen niet (21 mei 2016), zie http://nos.nl/artikel/2106399-veel-chronisch-zieken-nemen-medicijnen-niet.html

[3]
Terwijl alle informatie uit een oorlogsgebied gekleurd is (zie bijvoorbeeld NOS, Alle info uit Syrië is gekleurd. Hoe gaat de NOS daarmee om?, 15 december 2016, zie: http://nos.nl/artikel/2148568-alle-info-uit-syrie-is-gekleurd-hoe-gaat-de-nos-daarmee-om.html), de journalist nauwelijks veldonderzoek kan doen en ondertussen geconfronteerd wordt met burgerjournalistiek die meer middelen / tijd hebben om de waarheid te achterhalen (zie bijvoorbeeld VPRO Tegenlicht, De burgerdetectives (2016), zie: https://www.vpro.nl/programmas/tegenlicht/lees/bijlagen/2016-2017/digitale-burgerdetectives/Digitale-detectives.html). Van de journalist wordt ondertussen in beginsel wel gevraagd dat hij doet van factchecks / factchecing.
 
[4] 
Zie voor de moeilijkheden die het werk van de IND wat betreft waarheidsvinding met zich mee kan brengen de documentaire van René Roelofs: Het kaf en het koren - de IND op zoek naar oorlogmisdadigers, 2DOC (2017), zie https://www.2doc.nl/documentaires/series/2doc/2017/april/het-kaf-en-het-koren.html

[5]
In 2016 verkondigden een aantal wetenschappers dat er een negende planeet zou zijn in ons zonnestelsel. De planeet was echter nog niet waargenomen dus kon niet definitief worden bewezen. Wel hadden de wetenschappers theoretische redenen om te concluderen dat deze planeet zou bestaan.

[6] 
Ton Derksen heeft meerdere toegankelijke artikelen en boeken geschreven over waarheidsvinding in het recht. Zie voor deze quote en direct een eerste inleiding op hoe de menselijke, cognitieve instincten goede rechtspraak in de weg kan staan: Trouw / Maurice van Turnhout,  Rechtspraak kent akelige denkfouten (22 oktober 2015), https://www.trouw.nl/home/rechtspraak-kent-akelige-denkfouten~a0d0e1ee/.

[7] 
Dit naast de vraag of de medewerker door de ziekte niet in staat zou kunnen zijn om te werken. Om een veelvoorkomend praktijkvoorbeeld in te zetten, hebben we hier gekozen voor de waarheid / mate van waarschijnlijkheid van dat iemand ziek is. Je kunt je natuurlijk afvragen of je hier wel te maken hebt met een feit. Wat een leidinggevende namelijk doet, is zich afvragen of de medewerker wel echt ziek is. Maar is ziek zijn een feit of een oordeel? Dat is misschien minder duidelijk als het op eerste gezicht lijkt: het is een voorbeeld van een bewering die - als je de vijf kennisvragen stelt die we bij feiten hebben genoemd - afhankelijk van de context misschien eerder een mening is; dit is afhankelijk of over het concept "ziek-zijn" overeenstemming is (dit zie je bij morele vragen ook). In de praktijk zie je dat de vraag "Is medewerker X ziek?" vaak wel een vraag naar feitelijke kennis wordt gezien terwijl de bijkomende vraag "Is iemand wel ziek genoeg om niet te kunnen werken?" oordeelgericht is.
 
[8] 
Zie Derksen, T., Onschuldig vast, ISVW Uitgever (2016)
 
[9]
Ook bij zware misdrijven nemen rechters - onbewust - vaak genoegen met minder sterk bewijs. Zie het boek genoemd onder de vorige nooit of NRC / Folkert Jensma, Aantal fout veroordeelden hoger dan tot nu gedacht (20 november 2016), https://www.nrc.nl/nieuws/2016/11/20/aantal-fout-veroordeelden-hoger-dan-tot-nu-gedacht-5331216-a1532760

[10]
Zie waarom dit zo is bijvoorbeeld voor het recht: Giard, R., Waarheidsvinding: een spel van vraag en antwoord, in: Expertise en Recht, 2013-4, bladzijde 117, http://epistemo.nl/blog/wp-content/uploads/2015/10/Waarheidsvinding-een-spel-van-vraag-en-antwoord.pdf
[11]
Zie Valkenberg, S., Op denkles: hoe wapenen we ons tegen 'Iedereen heeft zijn eigen waarheid' en andere modieuze denkbeelden, Ambo/Anthos B.V., Voorwoord.

[12]
Zie Derksen, T., De ware toedracht, Praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidzoekers, Uitgeverij Veen Magazines B.V., bladzijde 77.

[13] 
Deze vraag zou je kunnen relateren aan het falsificatieprincipe; bedacht door de filosoof Karl Popper. Falsifieerbaarheid houdt in dat een bewering (of meer algemeen een theorie) pas (wetenschappelijk) bewezen kan worden indien er criteria kunnen worden aangegeven op grond waarvan de bewering (of theorie) zou moeten worden verworpen. Het moet mogelijk zijn om met een tegenvoorbeeld een theorie te ontkrachten; anders is het al geen goede theorie. Op dit principe kun je ook de nodige kritiek hebben. Het artikel - met dit voorbeeld en de mogelijke kritiek - van Van Heerden geeft een goede eerste, toegankelijke inleiding hierop. Zie: Speurtocht naar de zwarte zwaan; De verstrekkende gevolgen van Poppers falsificatie-principe, NRC 23 september 1994, https://www.nrc.nl/nieuws/1994/09/23/speurtocht-naar-de-zwarte-zwaan-de-verstrekkende-gevolgen-10444874-a722230
 
[14]
Hiervan is helemaal sprake als we weten dat zelfs een consistent wetenschappelijke systeem - als een geheel van verschillende beweringen, modellen en/of theorieën – ondanks al het bewijs en ondanks innerlijke consistentie toch te beperkt kan blijken te zijn. Zo bleken de inzichten van Newton op ons heelal niet correct te zijn en verschafte Einstein met zijn relativiteitstheorie een opvatting die waarschijnlijker was. Dit terwijl sommige 19e-eeuwse natuurkundigen net hiervoor hadden geconcludeerd dat alles wel zo ongeveer duidelijk en objectief bewezen was. Voor meer informatie over dit onderwerp kunnen de inzichten van de filosoof Kuhn een eerste stap zijn. Zie Kuhn, T., De structuur van wetenschappelijke revoluties, Boom, 2003. Gezien de praktische insteek van dit studieboek laten we dit verder voor wat het is.
 
Meer over: ,