Over de kunst van het stellen van vragen en doorvragen
t

Waarom meer complexe vraagschema's gebruiken om de juiste kennisvragen te stellen?

Om als professional betere vragen te stellen, zijn er meerdere vraagtechnieken die je kunt inzetten. Een goede maar ook meteen lastige manier is het gebruik van vraagschema's die als vertrekpunt de verschillende soorten kennis hebben. In deze bijdrage vind je - als onderdeel van ons eBook - een uitleg waarom een professional op deze manier vragen zou moeten stellen. Met andere woorden: waarom de meer eenvoudige vraagschema's bij kennis tekortschieten.

De kunst van het stellen van vragen en doorvragen


Uitgangspunt: waarom leren vragen te stellen?

Het belang van goede kennis in de beroepspraktijk

Eerder heb je kunnen lezen, dat beroepsbeoefenaren er niet aan ontkomen om vragen te stellen en om door te vragen, willen ze met de juiste kennis van zaken handelen. Dit is niet alleen nodig voor de professional zelf (en dienst cliënten, patiënten, klanten, de burger, et cetera), maar ook noodzakelijk willen anderen vertrouwen blijven houden in zijn of haar beroepsgroep.

De manier om de juiste vragen te stellen, is door vraagschema's te leren en te gebruiken. Dit zijn - zo heb je eerder kunnen lezen - vragenlijsten met diverse vragen die gezamenlijk, en vaak als ze in volgorde worden gesteld, leiden tot betere kennis.

Herhaling: vragen stellen naar kennis met vraagschema's voor beginners

Startpunt: twee socratische vragen

Het makkelijkste vraagschema om te komen tot betere kennis bestaat uit twee vragen. Het zijn twee vragen die iedere professional zich in de praktijk geregeld zou moeten stellen, namelijk de twee socratische vragen "Wat bedoel je?" en "Klopt het?" Twee vragen waarmee de beroepsbeoefenaar een eerste stap kan zetten om tot goede kennis te komen.

Onze ervaring is dat de meeste professionals deze twee vragen wel stellen. En hiermee een vragende houding tonen. Met name de tweede vraag naar of dat wat wordt beweerd wel klopt, wordt wel gesteld:

Voorbeeld. Je kunt denken aan de docent die zich afvraagt of de ziekmelding van een leerling wel klopt. Of de agent die zich afvraagt of de verklaring van een getuige klopt. Of de verpleegkundige die zich afvraagt of dat wat een patiënt zegt over de medicijninname helemaal conform de werkelijkheid is. Of de journalist die een factcheck doet, omdat hij zich afvraagt of wat een politicus zegt conform de waarheid is.

Sterker, ook de personen waarvoor wordt gewerkt, zullen zich deze vragen stellen:

Voorbeeld. Denk aan de leerling die zich afvraagt wat de docent precies bedoelt. Of je kunt denken aan een getuige die zich de vraag stelt of de toelichting van een agent wel klopt. Of de patiënt die zich afvraagt of het advies van een arts wel onderbouwd is. Of een lezer van een krant die de vraag stelt of dat wat de journalist heeft geschreven geen nepnieuws is. Of de burger die wil vaststellen of dat wat de politicus heeft gezegd geen leugen is.

Het probleem van de twee socratische vragen

Het probleem van de twee socratische vragen is echter dat ze nog zeer algemeen zijn. Afhankelijk van het soort kennis dat door iemand beweerd wordt (en als je echt een vraagexpert wilt worden: en afhankelijk van de geldigheidswaarde die bepaalde kennis kan hebben) kun je veel betere vragen stellen.

Voorbeeld. In veel beroepen spelen feiten een belangrijke rol. Dit geldt bijvoorbeeld voor een rechter die moeten oordelen over een verdachte (en eerst moeten weten wat er feitelijk speelt in de casus) maar net zo goed voor een liftmonteur die wil vaststellen wat er met een lift aan de hand is. Om te achterhalen wat de feiten zijn, stellen deze beroepsbeoefenaren bepaalde vragen. Dit zullen echter andere vragen zijn dan die ze zouden stellen om vast te stellen hoe het in de toekomst zal zijn (dus voorspellende kennis). In het laatste geval gaat hem om oorzaak-gevolg. De vraag naar wat er met de lift aan de hand is, vraagt om andere kennisvragen dan de vraag wat de lift de komende weken zal gaan doen.

Om betere vragen te stellen dan de twee socratische vragen en vervolgens beter door te vragen, doet een professional er beter aan gebruik te maken van andere vraagtechnieken. Een hiervan is de HART-methode.

Een beter alternatief: de vier vragen van de HART-methode

De HART-methode is een methode die je met name als professional kunt inzetten om snel oordeel te bevragen: vragen te stellen bij een mening die je hoort of jezelf erop nahoudt. Deze methode geeft je vier vragen om vast te stellen of een oordeel juist is:
  1. Wat wordt bedoeld?
  2. In hoeverre is wat beweerd wordt aanvaardbaar?
  3. In hoeverre is de onderbouwing relevant?
  4. In hoeverre is de onderbouwing toereikend?
Een meer uitgebreide toelichting over deze vragen zijn, lees je hier.

De beperkingen van de HART-methode

Onze ervaring is dat de HART-vraagtechniek prima werkt om als professional snel een mening op waarde te schatten. Het stellen van deze vier deelvragen kan dan zeer waardevol zijn. Dit toont ook direct de grootste beperking van de HART-methode: de vier vragen zijn gericht op meningen; de oordelen worden geveld.

In de beroepspraktijk heb je echter niet enkel met oordelen te maken maar ook met andere vormen van kennis: met begrippen, feiten, verklaringen, vergelijkingen, voorspellingen en adviezen. Hiervoor zijn de vier vragen minder geschikt.

Oplossing: vraagschema's volgend uit de soorten kennis

Aan zowel de beperkingen van de twee socratische vragen als de vier HART-vragen kan je als beroepsbeoefenaar tegemoetkomen met vraagschema's die gebaseerd zijn op de verschillende kennissoorten.

De gedachte achter deze vraagschema's is dat je afhankelijk van het soort kennis waarmee je te maken hebt, andere vragen stelt. Dus om vast te stellen of je met ware feiten te maken hebt, stel je andere vragen dan wanneer je wilt vaststellen of een oordeel goed onderbouwd is.

Het voordeel van deze aanpak, is dat je veel meer vragen en veel meer gerichte vragen krijgt.

Voordat je echter dergelijke vraagschema's kunt inzetten, moet je niet alleen kennis hebben van de verschillende kennissoorten, maar moet je nog beter vaststellen wat iemand qua kennis beweerd.

Voorbeeld. Als je niet herkent dat iemand iets feitelijks beweert, dan zul je ook niet de keuze maken het vraagschema voor feiten erbij te pakken.
Over deze vraag naar wat beweerd wordt, kun je hier meer lezen. Het is een vraag die dus aan alle vraagschema's die gaan over de soorten kennis, vooraf gaat

(en hier kun je terug naar het eBook over de kunst van het stellen van vragen).
Meer over: