De kunst van het stellen van vragen en doorvragen
t

Goed versus juist oordelen

De fundamentele vraag die een kritisch professional zich (dus) continu stelt is "Waarom zou ik deze informatie aanvaarden?" Als deze informatie specifiek een oordeel betreft, wordt dit de vraag: "Waarom zou ik dit betoog of deze redenering aanvaarden?" Omdat deze vraag nog vrij algemeen is, kun je met behulp van drie verschillende methodes deze vraag specifieker maken (dat lees je hier). Nu kwam hierbij een aantal keren het begrip goed oordeel terug. Het is het nuttig om dit af te zetten tegen wat een  juist oordeel is.
 
Goed versus juist oordelen
Om vast te stellen of sprake is van een goed oordeel kijk je naar de kwaliteit van het oordeel. Wat de inhoud is, doet hierbij niet ter zake. Afhankelijk van de situatie kan dit de kwaliteit van een oordeel van een individu betreffen (bijvoorbeeld van een collega, een bestuurder of van een klant) dan wel de kwaliteit van het oordeel van een groep (bijvoorbeeld het gezamenlijke oordeel van een verpleegkundig team, van een college van bestuur of een meervoudige kamer van een rechtbank). Wat het oordeel inhoudelijk zelf is, doet voor de 'goedheid' even niet ter zake. De uitkomst van een oordeel maakt met andere woorden een oordeel niet meer of minder goed.
 
Een oordeel noem je daarentegen een juist oordeel als het oordeel inhoudelijk klopt. Met andere woorden: een professional heeft een juist oordeel gemaakt als je vind dat je uitkomst kunt omarmen. Het oordeel is zoals het moet zijn; je bent met het oordeel eens [1].
 
Voorbeeld 2
We verwachten van overheidsorganen dat zij in hun oordeelsvorming de relevante feiten afzetten tegen het toepasselijke recht. Stel een juridisch medewerker van een gemeente verleent iemand een bijstandsuitkering. Als het oordeel dat hieraan ten grondslag ligt enkel gebaseerd is op een eerste indruk die de ambtenaar heeft van de mogelijke bijstandsgerechtigde dan zou dit geen goed genomen oordeel zijn. Hetzelfde geldt voor als deze ambtenaar bijstand gaat verlenen omdat hem dit een goed gevoel geeft. Of als de ambtenaar coulanter is omdat hij net lekker geluncht heeft. Dit sluit echter niet uit dat het eindoordeel – toevallig – wel juist is. Dat iemand gezien zijn situatie en gezien de voorwaarden voor bijstandsverlening inderdaad bijstand zou moeten krijgen. 
 
De meerwaarde van deze - theoretische [2] - tweedeling is dat het de mogelijkheid laat zien dat iemand het met een oordeel van iemand eens is (het is juist) terwijl qua redenering een geheel ander pad is bewandeld.

Voorbeeld 3
Stel een arts komt weloverwogen, met behulp van wetenschappelijk bewezen informatie en na inzet van diverse onderzoeken e.d., tot de conclusie dat een patiënt van hem de ziekte van Lyme heeft. Hier lijkt - even kort door de bocht - dan sprake te zijn van een goed oordeel. Als de patiënt vervolgens na een hierop gerichte behandeling langzaam hersteld dan zou je kunnen stellen dat het oordeel - de diagnose - ook juist was. Misschien had de buurvrouw ondertussen reeds hetzelfde geconcludeerd: mijn buurman heeft de ziekte van Lyme. Haar verklaring: enkele verschijnselen doen haar denken aan iets dat ze gelezen heeft in een advertorial in haar favoriete glossy. Haar oordeel lijkt - in de wetenschap wat de arts heeft vastgesteld - dan juist. Maar de oordeelsvorming zelf is verre van goed. Misschien hadden de verschijnselen die ze meeweegt ook evenwel tot andere conclusies kunnen leiden? Had ze andere ziekten wel uitgesloten? Is sowieso informatie uit een advertorial wel betrouwbaar? 
 
Gezien het thema van dit boek zul je in wat volgt enkel gaan lezen over welke vragen een professional kan stellen om te achterhalen of een oordeel een goed oordeel is [3]. Of de beroepsbeoefenaar om deze reden het oordeel kan aanvaarden. Wat het in de praktijk lastig maakt, is dat het in beginsel dus niet relevant is of je het met de uitkomst eens bent. Of je het oordeel juist vindt. Sterker, als je vragen gaat stellen over een oordeel is het juist de kunst om je eigen mening uit te zetten. Daarmee voorkom je dat je enkel sturende vragen gaat stellen ten aanzien van de oordelen en oordeelsvorming (dit zal namelijk als het om de kwaliteit van oordeelsvorming gaat weinig zinvol zijn).

__________

[1]
Of dat ooit mogelijk is, wordt door sommige filosofen bestreden. Een ander vraagstuk is of een oordeel ooit goed gemaakt kan zijn terwijl de uitkomst niet de juiste zou zijn. Ruim 2000 jaar geleden betoogde Socrates reeds - zoals beschreven door Plato - dat dit niet mogelijk is.
 
[2]
In het dagelijks taalgebruik worden de woorden wel door elkaar gebruikt. Iemand noemt dan een oordeel van een beroepsbeoefenaar bijvoorbeeld goed omdat de persoon het oordeel inhoudelijk een juist oordeel vindt. Bijvoorbeeld als een senior-jurist tegen een junior-jurist zegt: "Je hebt er goed aangedaan het bezwaar af te wijzen."

[3]
Deze insteek en afbakening kent wel een aantal filosofische (discutabele) vooronderstellingen. Ten eerste veronderstelt dit onderscheid dat mensen zelfstandig kunnen oordelen. Sommige filosofen zullen hiervan vinden dat dit ten onrechte een aantal filosofische discussies beslecht (kun je wel streven naar waarheid, hebben we wel een vrije wil, et cetera). Ten tweede doemt een cirkelredenering op. Het oordeel of iets goede oordeelsvorming is, is namelijk zelf ook weer een oordeel. Hoe weet je dan dat deze juist is? Ten derde is het verschil tussen proces en inhoud volgens sommige filosofen niet houdbaar. Achter het idee wat goed oordelen is (bijvoorbeeld dat een oordeel transparant moet zijn) gaan indirect normatieve ideeën schuil over wat goed (samen) leven is (we moeten leven in een transparante samenleving).  

Meer over: , , ,