De kunst van het stellen van vragen en doorvragen
t

Vragen om ondersteuning en bewijs

Als een beroepsbeoefenaar in een betoog of redenering ter argumentatie iets beweert - of dit nu feitelijk van aard is, een oordeel of een (algemene) verbindende uitspraak is - dan vraagt dit om bewijs. Dit volgt uit de algemene kennisverwachting die we van professionals hebben. We verwachten dat een professional goede redenen heeft voor de zaken die hij vindt. Dit geldt zowel voor de redenen die moeten verklaren waarom iets het geval is als de redenen waarmee de professional de ander wil overtuigen (klik hier voor meer over dit verschil).

De verwachting dat er bewijs is voor wat iemand beweert, ziet om te beginnen natuurlijk op het standpunt dat een professioneel als oordeel inneemt. We vragen om argumentatie. Maar ook de beweringen die zijn opgenomen in de argumenten vragen (natuurlijk) om bewijs.

Dit bewijs noemen we ook wel de ondersteuning van wat beweerd wordt of, als synoniem, de onderbouwing. Niet zelden - zeker bij oordelen - zal deze ondersteuning trouwens ook weer vragen om bewijs waardoor er uiteindelijk een gelaagde argumentatie ontstaat.

Laat ik voorbeelden geven van twee veelvoorkomende soorten beweringen die in de beroepspraktijk om bewijs vragen: feiten en oordelen.

FEITEN
1. Onderbouwing van feitelijke beweringen
Steeds meer worden mensen zich ervan bewust dat ook feiten onderbouwd moeten worden [1]. Hoezo is iets feitelijks het geval? Of zoals later meer formeel zal worden beschreven: waarom zou je deze feitelijke bewering aanvaarden?

Voorbeeld 1 Vragen naar onderbouwing van een feit
Om te bewijzen dat iets feitelijk het geval is, zal de professional moeten teruggrijpen op empirisch bewijs of - meer indirect - op stukken die bewijs leveren (bijvoorbeeld in de vorm van getuigenverklaringen of videobeelden).

Eigenaar van een winkel tegen medewerker: "Je moet even opschieten met opruimen van de spullen want het is reeds half tien."

Je ziet hier een:
- Standpunt: je moet opschieten met opruimen van de spullen
- Argument: want het is reeds half tien
- Argumentatieve indicator: want
- Feitelijke bewering in het argument: het is reeds half tien

Bewijs voor dat het feit dat het reeds half tien is, wordt niet gegeven. Waarschijnlijk heeft de eigenaar op een klok gekeken? Voor de redenering is het echter wel belangrijk dat dit gegeven klopt. Indien het immers niet half tien is (maar bijvoorbeeld negen uur) dan is het oordeel in het standpunt waarschijnlijk ook niet juist (en heeft de medewerker nog alle tijd om op te ruimen).  

Bijkomend probleem in deze redenering is dat de eigenaar een aantal zaken niet uitspreekt maar veronderstelt (het is verzwegen). Bijvoorbeeld dat als het half tien is dat dan de spullen opgeruimd moeten zijn. Maar waarom dit zo is - wat de onderbouwing voor deze verbindende uitspraak is - wordt niet duidelijk. Gaat de winkel om half tien open? Mogelijk hebben de eigenaar en de medewerker dit afgesproken? De onderbouwing hiervoor ontbreekt. Dit raakt ook het volgende punt: het onderbouwen van morele uitspraken.
 
OORDELEN
Welke onderbouwing je kunt verwachten bij oordelen is afhankelijk van met welk soort oordelen je hebt te maken. Twee belangrijke oordelen zal ik toelichten: morele oordelen en juridische oordelen. In het deel dat gaat over de aanvaardbaarheid van beweringen zal ik vervolgens verder op dit onderwerp ingaan. Het onderstaande is vooral bedoeld om je duidelijk te maken wat wordt verstaan onder onderbouwing.
 
Onderbouwen van morele beweringen
Neem de volgende uitspraak van een verpleegkundige: "Ik vind dat ik geen informatie van deze patiënt mag geven omdat zijn privacy voorop staat". Het is duidelijk wat het argument is: "omdat zijn privacy voorop staat". De vraag is echter waarop dit gebaseerd is: wat is de onderbouwing van dit morele argument? Omdat er verder geen andere reden wordt aangedragen, moet altijd zijn privacy voorop staan en is dit doorslaggevend. Maar waarom moet iemands privacy altijd voorop staan? Én waarom zou de verbindende uitspraak gelden: "Altijd als iemands privacy voorop staat, geef ik geen informatie van een patiënt"?

In de praktijk zullen beroepsbeoefenaren dergelijke morele oordelen in eerste instantie terugbrengen tot hun eigen morele opvattingen. Indien ze gevraagd wordt waarom ze iets vinden, zullen ze terugkomen met algemene uitspraken - principes. Je kunt denken aan uitspraken als "omdat ik vind dat je altijd eerlijk moet zijn", "omdat ik vind dat we iedereen gelijk moeten behandelen" of "omdat ik dat zelf ook niet zou willen".

Indien ze weer gevraagd worden naar de fundering van deze principes, wordt het lastiger. De vraag naar waarom iemand morele opvattingen heeft, kan voor professionals soms lastig te beantwoorden zijn. Dit heeft ook deels te maken met de waarom-vraag: wordt nu gevraagd naar een verklaring of naar een argumentatie:

  • Indien de waarom-vraag wordt geïnterpreteerd als zijnde een vraag naar de verklaring waarom iemand bepaalde morele opvattingen heeft dan kan een beroepsbeoefenaar bijvoorbeeld met het antwoord komen "dat hij bepaalde morele opvattingen heeft omdat hij dit van huis uit heeft meegekregen; dat dit dit te maken heeft met opvoeding". De beroepsbeoefenaar probeert te verklaren naar waarom hij iets vindt. Zo kan de beroepsbeoefenaar ook zijn morele ideeën terugbrengen algemeen heersende morele ideeën binnen de samenleving ("omdat de meeste mensen dit in Nederland vinden en dit heeft mij gevormd"). Op dezelfde manier kan ook verwezen worden naar wat zijn beroepsorganisatie wil (mogelijk vastgelegd in een beroepscode) of wat zijn organisatie in morele zin van hem verwacht (denk aan bedrijfscodes). Ook kan de beroepsbeoefenaar verwijzen naar wat zijn cliënten van hem verwachten en dat dit hem zo heeft gemaakt.
  • Indien de waarom-vraag wordt geïnterpreteerd als zijnde een vraag naar de rechtvaardiging dan is dit verklarende antwoord nog niet voldoende. Waarom zou je immers dat vinden wat je ouders vinden? Dit kan wringen indien je ouders hele verkeerde opvattingen zouden hebben. Of waarom is die cliënt zo belangrijk? Waarom die bedrijfscode? Maakt dit de morele opvattingen juist? Deze vragen zijn lastig voor een professional om te beantwoorden. De morele ondersteuning wordt  soms gevonden in (boeken van) levensovertuigingen. Dit herken je als iemand in het antwoord verwijst naar bijvoorbeeld de Bijbel of de Koran. Ook kunnen ethische theorieën ter onderbouwing worden aangedragen. Bijvoorbeeld als iemand iets afkeurt omdat dit tegen de prima facie-verplichtingen van de filosoof Ross ingaat. Of tegen het humanistisch denken, het utilisme van Mill of de plichtenethiek van Kant [2]

De vraag die bij deze bronnen in het algemeen steeds opdoemt, is of de verwijzing naar de ondersteuning wel voldoende overtuigend is. Moeten we altijd doen wat anderen vinden? Moet je als professional in morele zin altijd maar je cliënt volgen? Is een bepaalde interpretatie van een Bijbelgedeelte wel de juiste? Waarom wordt de ene bron voorop gesteld en de andere niet? In het algemeen: zijn er geen afwijkingen mogelijk? Bijvoorbeeld van de beroepscode?

Voorbeeld 2 Vragen naar de onderbouwing van morele uitspraken
Bestuurder tegen een manager: "Je moet het komend jaar wel de afgesproken prestatie-indicatoren behalen want anders ben je niet langer houdbaar voor deze positie."
Je ziet hier een:
- Standpunt: je moet het komend jaar wel de afgesproken prestatie-indicatoren behalen
- Argument: want anders ben je niet langer houdbaar voor deze positie
- Argumentatieve indicator: want

De verbindende uitspraak is (in zeer algemene zin maar hierop zou de manager de bestuurder kunnen bevragen): "Je bent enkel houdbaar voor een bepaalde positie als je de afgesproken prestatie-indicatoren behaald." De vraag is natuurlijk waarom dit zo is. Kan nooit van prestatie-indicatoren worden afgeweken? Geldt altijd afspraak is afspraak? Nog los van de feitelijke vraag of die prestatie-indicatoren daadwerkelijk zijn afgesproken. En tussen wie zijn ze dan afgesproken? Geldt ook afspraak is afspraak indien de afspraak tussen andere mensen is gemaakt?

Onderbouwing van juridische beweringen
Ook bij juridische oordeelsvorming is het belangrijk dat er steeds bewijs is voor wat gesteld wordt. Dit betreft zowel de onderbouwing van de juridische oordelen als van de feiten die ten grondslag liggen aan de juridische casus.

Voorbeeld 3 Vragen naar de feiten in een juridisch oordeel Stel een rechter spreekt het oordeel uit dat Jansen verplicht is de schade aan de kapotte auto van Pietersen te vergoeden omdat sprake is van een onrechtmatige daad dan wordt er feitelijk beweerd dat er sprake is van een kapotte auto. Maar waarop is dit gebaseerd? Hoezo is de auto kapot? Is er bewijs voor? Bijvoorbeeld van een garage? En is deze garage betrouwbaar? In hoeverre is de garage bijvoorbeeld erkend?

Voorbeeld 4 Vragen naar de oordelen in een juridisch oordeel
In het tweede voorbeeld in de vorige posting (over mevr. Pietersen) verwees de rechter naar de regel dat “bij wanprestatie de schuldenaar verplicht is de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden”. Dit was de verbindende uitspraak in deze redenering. Het bewijs dat deze regel bestaat, werd niet gegeven. De vraag die je als scherp jurist zou moeten stellen, is "Waarop is deze regel gebaseerd? Waar staat dit?". Juridische lezers van dit boek zullen weten dat deze regel is beschreven in artikel 6:74, eerste lid BW en dus voortkomt uit dit artikel (tip: wees kritisch, zoek dit na). Maar stel altijd de vraag naar de onderbouwing van juridische normen.

In een juridisch argument wordt de combinatie van de verbindende uitspraak en onderbouwing trouwens de rechtsgrond genoemd. Bijvoorbeeld de rechtsgrond dat: “(rechtsregel) verbintenissen die niet voortvloeien uit een overeenkomst niet rechtstreeks hoeven voort te komen uit een wetsartikel; (met onderbouwing) arrest Quint/Te Poel, HR 30-01-1959, NJ 1959, 548”. De regel kan in een casus als rechtvaardiging dienen (de verbindende uitspraak) en het arrest als ondersteunende bron. De ondersteuning in een juridisch betoog van de normen zal als het goed is altijd verwijzen naar een rechtsbron: een regel uit wet- of regelgeving, uit een verdrag, gebaseerd op een uitspraak van een rechter (jurisprudentie) of uit gewoonte [3]. Hierop kun je een juridisch oordeel bevragen.

Het vragen naar bewijs is belangrijk en volgt uit de kennisverwachting die we van professionals hebben. Soms is de onderbouwing namelijk niet meer is dan een persoonlijk observatie. Stel jezelf altijd de vraag of deze klopt. Eerder heb je immers gelezen dat diverse cognitieve valkuilen het professioneel handelen in de weg kan staan.
 
Voorbeeld 5 Oordeel op basis van een matige persoonlijke observatie.
Voorbeeld argument - feitelijke bewering - rechtvaardiging - ondersteuning
Stel iemand spreekt uit: “Ik vertrouw hem niet; hij zegt namelijk nooit iets.”
Standpunt: Ik vertrouw hem niet (argumentatieve indicator: dus)

(expliciet) Feitelijke bewering: Hij zegt nooit wat
(impliciet) Ondersteuning: Dit wordt niet gezegd. Is dit een eigen waarneming? Dit vraagt om toelichting want dat iemand nooit iets zegt, valt lastig te aanvaarden.

(impliciet) Verbindende uitspraak: Mensen die nooit iets zeggen, zijn niet te vertrouwen
(impliciet) Ondersteuning: Mogelijk is dit een bepaald (voor)oordeel dat de persoon heeft n.a.v. eerdere ervaringen? Ook dit wordt niet genoemd. In hoeverre wordt bijvoorbeeld hier gerationaliseerd op basis van een verkeerde eerste indruk?

Met deze posting over ondersteuning heb je gelezen over alle belangrijkste basisbegrippen uit de argumentatieleer. In de volgende bijdrage volgt een samenvatting en een voorbeeld van toepassing ervan.

__________

[1]
Deze toenemende bewustheid zie je met name binnen de journalistiek met de komst van allerlei zogenaamde factcheck-initiatieven. Zo begon de Volkskrant in 2015 met een rubriek onder de titel "Klopt dit wel?" (zie http://www.volkskrant.nl/media/nieuwe-rubriek-klopt-dit-wel~a4048548/). Dit in navolging op de NRC/NRC.Next die onder de hashtag #nextcheckt reeds was begonnen met het beoordelen van feitelijke beweringen (en soms oordelen) (zie http://www.nrcnext.nl/blog/category/next-checkt/). Ook kan De Correspondent niet ongenoemd blijven (zie https://decorrespondent.nl/2285/Maak-kennis-met-de-factcheckers-van-De-Correspondent/169837195-85bd7bff).

[2]
Deze genoemde ethische theorieën zijn willekeurig gekozen. Voor uitleg over deze theorieën – als de vele andere ethische theorieën die er zijn – verwijs ik naar de vele inleidingen in de ethiek die geschreven zijn. 
 
[3]
Over wat precies de rechtsbronnen zijn, bestaat vreemd genoeg discussie. Sommige auteurs beschouwen bijvoorbeeld ook overeenkomsten als bronnen van recht. Daarnaast zijn er auteurs die de bronnen die bijdragen aan de interpretatie van regels als rechtsbronnen kwalificeren (bijvoorbeeld rechtswetenschappelijke literatuur, de parlementaire toelichting of zelfs een woordenboek (voor de grammaticale interpretatiemethode). Zie bijvoorbeeld Cliteur, P.B., A. Ellian, Encyclopedie van de rechtswetenschap: positief recht, Kluwer, 2009, bladzijde 16.

Meer over: , ,