De kunst van het stellen van vragen en doorvragen
t

Het verschil tussen feiten, meningen en voorkeuren

Hiervoor heb je kunnen lezen dat ter onderbouwing van een standpunt iemand in een redenering of betoog als argumentatie concrete beweringen kan aandragen. Als je eenmaal helder hebt gekregen wat beweerd wordt, doe je er vervolgens verstandig aan af te vragen in hoeverre je deze beweringen kunt aanvaarden (het tweede HART-criterium). Wat je dan doet is je afvragen in hoeverre de beweringen opgaan. Meer formeel: in hoeverre ze geldig zijn.

Zoals je hebt kunnen lezen, zijn er - in navolging op de verschillende kennissoorten - meerdere soorten beweringen: beweringen over wat een begrip inhoudt, feiten, verklaringen, vergelijkingen, voorspellingen, oordelen en adviezen.

In de beroepspraktijk zul je met name te maken hebt met twee soorten concrete beweringen [1]: feiten en oordelen. Bij het stellen van vragen naar wat precies beweerd wordt maar ook bij de vragen die aan jou gesteld worden, doe je er goed aan om deze twee te herkennen. Hierbij kun je de oordelen weer verder indelen in twee subsoorten [2]: intersubjectieve oordelen (ook wel mening te noemen) en voorkeuren (subjectieve oordelen/meningen).


Feiten (objectief) 
Feiten zijn beweringen waarvan de waarheid definitief [3] vastgesteld kan worden door waar te nemen (en omdat onze waarneming allerlei beperkingen kent nog beter te bewijzen via een wetenschappelijke methode). Feitelijke vragen - vragen naar feiten - kennen maar één correct antwoord. Voorbeeldvragen naar feiten:

  • Wat is het kookpunt van water?
  • Wanneer overleed Koningin Wilhelmina?
  • Hoe oud wordt gemiddeld een koe?

Feitelijke beweringen zijn beschrijvend (descriptief, empirisch) van aard en gaan over iets wat is of over iets wat heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld: [4]
  • Natuurwetenschappelijk: “De aarde is plat.” (feit dat niet waar is [5])
  • Juridisch: “De rechter heeft Benno L. niet vrijgesproken.[6]
  • Moreel: “Uit onderzoek blijkt dat iedere Nederlander vindt dat Benno L. geen misbruik mag maken van minderjarige meisjes.
  • ... [7]

Het maakt bij feiten niet uit wie het zegt: het kookpunt van water is voor mij hetzelfde als voor jou, je docent, je familie, et cetera. Hier kun je meer hierover lezen.

Oordelen (intersubjectief)
Oordelen - niet te verwarren de hieronder genoemde smaakoordelen - zijn beweringen die in beginsel niet één correcte uitkomst kennen op het moment dat er naar gevraagd wordt. Meerdere opvattingen zijn mogelijk omdat ideeën over bepaalde zaken namelijk per professional kunnen verschillen. Denk bijvoorbeeld over wat integer handelen is (morele oordelen), hoe een juridisch begrip geïnterpreteerd moet worden (juridisch oordelen) of over wat goede zorg is (medische oordelen).

Op het moment dat we met elkaar in discussie of gesprek gaan, hebben we echter wel het idee dat we de ander op basis van redelijke argumenten kunnen overtuigen van de juistheid van een oordeel. Een oordelende bewering is hiermee niet zozeer correct of niet (zoals bij feiten) maar eerder beter of slechter; dit afhankelijk van de kwaliteit van onderbouwing. Voorbeeldvragen naar oordelen:

  • Vind jij dat de doodstraf ingevoerd moet worden?
  • Ben je voor of tegen de EU?
  • Is sprake van wanprestatie?
  • Kan deze patiënt al naar huis toe?

Voorbeelden van oordelen:

  • Juridisch (bijvoorbeeld een oordeel van een rechter): “U, Benno L., bent o.g.v. artikel 249 Sr schuldig aan het misbruik maken van jonge kinderen.
  • Moreel (bijvoorbeeld in een politiek debat': “Ik vind dat waar ook ter wereld mensen nooit misbruik mogen maken van minderjarige kinderen.
  • Medisch (bijvoorbeeld een arts): "Deze patiënt mag nog niet naar huis."
  • Financieel (bijvoorbeeld een makelaar): "Dit huis moet je niet kopen."
  • ...


Voorkeuren (subjectieve oordelen)
Voorkeuren zijn beweringen die een smaakoordeel weergeven. Deze onderscheiden zich van bovengenoemde oordelen in dat we de ander niet door middel van rationale argumenten van een andere smaak kunnen overtuigen. Voorkeuren kunnen door iemand als beschrijving worden uitgedrukt:
   
  • Ik houd niet van zwemmen.
  • "Ik vind spruitjes met satésaus lekker."
  • "Vreselijk die muziek van Adele!"
  • "Wat een lelijk shirt heeft hij aan!"

Iemand die niet van zwemmen houdt, zul je niet met rationele argumenten overtuigen van het tegenovergestelde. Iemand houdt in meer of mindere mate van zwemmen / niet van zwemmen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor voorkeuren wat betreft bijvoorbeeld eten, muziek of kleding.

Een rationele discussie over de doodstraf vinden we echter wel zinvol; we hebben de gedachte dat we de ander met redenen kunnen overtuigen. En zijn vaak geïrriteerd als de ander ons niet volgt. Discussiëren over muziek teneinde de ander te overtuigen lijkt zinloos. Ook al denken sommige jongeren om 4 uur 's-nachts in de kroeg daar soms heel anders over. 😉 Helaas: over smaak valt niet te twisten. [8]
 
Vervolg
Nu heb je in bovenstaand overzicht misschien al de woorden objectief, intersubjectief en subjectief zien staan. Dit gaat over de geldigheid van de beweringen. Tussen de verschillende soorten beweringen zit hierin een verschil. In de volgende bijdrage lees je wat hier precies mee bedoeld wordt.

__________

[1]
Dit onderscheid sluit nauw aan bij de verschillende soorten kennis zoals ik die eerder heb besproken. De andere kennissoorten laten we hier rusten.

[2]
Het onderscheid tussen feiten, oordelen en waarachtigheid en de verschillen in geldigheidsclaim van deze beweringen is niet zonder discussie. Aangezien dit een studieboek is, laat ik deze met name kentheoretische en wetenschapsfilosofische discussie hierachter rusten. Het onderscheid – bekend door met name de filosoof Habermas in het kader van geldigheidsclaims – is, zo is mijn ervaring, voor de beroepspraktijk waardevol. Het belangrijkste is dat de lezer een gevoel krijgt in het verschil in geldigheid/aanvaardbaarheid van bepaalde uitspraken. Hierachter zit het idee dat niet alle oordelen even plausibel zijn (omdat  bijvoorbeeld een veelgehoord argument "alle uitspraken toch maar persoonlijke meningen zijn") maar dat uitspraken in geldigheid – en de daarachter liggende methode – van elkaar verschillen. Een gelijke insteek valt ook te lezen in Paul, R. en L. Elder, The Thinker’s Guide to the Art of Socratic Questioning, The Foundation for Critical Thinking, 2006, bladzijde 14.

[3]
Formeel is definitief niet het juiste woord. De wetenschappelijk methode geeft namelijk aan de waarheid van beweringen altijd een bepaalde voorlopigheid: ze zijn waar tenzij bewezen kan worden dat ze niet waar zijn. In theorie, zo stellen sommige filosofen, is het dan ook beter te spreken van de waarschijnlijkheid van beweringen. In de praktijk spreken we echter gewoon van waarheid. Een voorbeeld: stel iemand heeft een bankrekening met hierop € 100,-. Indien deze rekeninghouder de bank belt om te vragen of dit klopt dan zal de bankmedewerker zeggen dat het inderdaad waar is dat deze persoon een bankrekening heeft met hierop € 100,- en niet dat het een grote mate van waarschijnlijkheid heeft dat deze persoon een bankrekening heeft van € 100,-. Zie ook deze bijdrage

[4]
Later kun je lezen dat ook voorspellingen soms als feiten worden gezien. Maar dan niet van wat nu is of van wat heeft plaatsgevonden maar van wat gaat komen. Maar ook van voorspellingen kun je zeggen: dit is waar of niet waar. Omdat een voorspelling wel om ander bewijs vraagt - en meer onzekerheid kent dan een echt feit - doe je er goed aan om deze in de praktijk niet op een hoop te gooien. Een aantal voorbeelden van voorspelling - in lijn met de gegeven feiten - zijn: “De aarde zal over 10 dagen vergaan.” (natuurwetenschappelijk), “De rechter zal vanmiddag waarschijnlijk Benno L vrijspreken.” (juridisch) en “Waarschijnlijk zal in de toekomst ook iedere Nederlander vinden dat Benno L. geen misbruik mocht maken van de minderjarige meisjes.” (moreel).

[5]
Of de bewering "de aarde is plat" een feit genoemd kan worden, daarover bestaat discussie en is een kwestie van definitie. In de literatuur zie je twee mogelijkheden terug: het is een feit dat vervolgens niet waar is of het is geen feit (omdat het juist niet waar is). In het dagelijks taalgebruik zie je de tweede optie vaker terugkomen: dat de aarde plat is, is geen feit. Aanhangers van de eerste invulling zullen zeggen dat het een bewering is die feitelijk niet waar is.

[6]
Benno L. was een zwemschoolhouder die in 2011 door het OM werd vervolgd voor twee aanrandingen, 33 gevallen van ontucht, het vervaardigen en het bezit van kinderporno en het heimelijk fotograferen van kinderen. Het OM en de politie kozen ervoor om actief de publiciteit te zoeken teneinde ouders in te lichten over het gedrag van Benno. De advocaat vroeg aan de rechter later hier bij de strafmaat rekening mee te houden. Zie voor een overzicht https://www.rechtspraak.nl/Uitspraken-en-nieuws/Bekende-rechtszaken/Zwemschoolhouder/Paginas/default.aspx

[7]
Dit zijn enkel voorbeelden van onderwerpen waarvoor iets beweerd wordt. Naast de natuurwetenschappelijke, juridische en morele feiten die worden genoemd, zijn bijvoorbeeld nog meer soorten feiten mogelijk. Bijvoorbeeld een financieel feit als “Dit bedrijf heeft € 200 miljoen op de bank staan.” Hetzelfde geldt voor de oordelen. Hier kan worden gedacht aan het financiële oordeel: “Dit bedrijf moet om te kunnen blijven bestaan afscheid nemen van minstens 20 personeelsleden.

[8]
De enige nuancering is dat meer informatie het begrip van iets wel kan doen begrijpen en daardoor van invloed kan zijn op de voorkeur.  Een bepaald schilderij kun je heel lelijk vinden. Als je vervolgens leest over het hoe en het wat achter het schilderij dan kan dit je blik misschien wel doen veranderen.


Meer over: ,